Verhalen en meer van Christian Deterink

+menu-


Boekrecensie ‘Clausewitz’, Joost de Vries

‘Clausewitz’  is het debuut van Joost de Vries, en ik moet zeggen: ik heb me er prima mee vermaakt. Het verhaal gaat over Tim Modderman, die wil promoveren op het werk van de schrijver Ferdynand LeFebvre. Natuurlijk een fictief personage, waarmee De Vries iets soortgelijks doet als bijvoorbeeld Michael Chabon in zijn ‘The Yiddish Policemen Union’: een verhaal vertellen dat speelt in de huidige tijd, maar dan wel met enkele fictieve elementen erin, waarmee een soort parallelle werkelijkheid wordt geschapen. Bij Chabon was dat een Joodse kolonie in Alaska, bij De Vries is het dus een fictieve schrijver inclusief zijn entourage van schrijvers, politici en kunstenaars. Bij De Vries zijn in deze fictieve personages duidelijk verbanden te leggen met echte personen, zoals Mulisch, Van Mierlo, en dergelijke, maar nergens wordt het erg specifiek.

Tijdens zijn zoektocht verzandt Tim steeds meer in het moeras van LeFebvre’s schimmige verleden, als steeds meer lijkt dat de schrijver nooit bestaan heeft, maar alleen een pseudoniem is waar andere schrijvers hun werk onder publiceerden: diens levensgeschiedenis is dus geheel verzonnen. Zo gaat het boek dus over de dunne scheidslijn tussen verzinsel en waarheid en het gemak waarmee fabels ontstaan. Dit blijkt wel uit het feit dat in het einde aan het boek zelfs  Tim bijdraagt aan die mystificering van LeFebvre.

Bijzonder is verder dat Tim dan wel de hoofdpersoon is, maar dat de schrijver, Joost, nooit ver weg is, die is namelijk een goede vriend en studiegenoot. Een opvallende gelijkenis met het verhaal ‘Pontus’ van Job Breemer ter Stege, ook al een Nederlandse debutant, alhoewel aanzienlijk minder veelbelovend dan Joost de Vries.

De Vries is namelijk een erudiete vertellen die strooit met verwijzingen naar de grote wereldliteratuur. Het boek staat vol met kleine vaak erg interessante nevenverhaaltjes en bevat veel originele observaties, mooie metaforen en kostelijke gedachtenexperimenten. Zoals de zoektocht naar een metafoor, waarbij ‘metafoor’ de metafoor is. Die wordt gevonden met de zinsnede “De schaduw camoufleert haar gezicht niet, maar legt er een nieuwe laag van betekenis op, als een metafoor.” En later in het boek trakteert De Vries ons op een andere vondst: “Ik voel me als een afgekeurd bruistablet, over datum, zo een dat je in het water laat vallen en dat dan veel te langzaam en fragmentarisch oplost, waardoor er klontjes aan de oppervlakte komen drijven …. (En zo voel ik me nog het meest: als een metafoor die niet tot zijn recht wilde komen).”

Concludeert: een vermakelijk en bij vlagen intrigerend boek, leuk!

 

 

Comments are closed.