Verhalen en meer van Christian Deterink

+menu-


Boekrecensie ‘De welwillenden’, Jonathan Littell

Het duurde even voordat ik de moed bij elkaar geraapt had om met dit boek te beginnen. Alleen de werkelijk kolossale omvang ervan (circa duizend pagina’s in een paperback-uitgave, het dubbele op iBooks) is al een flinke drempel. En anders is dat wel de materie; dit is namelijk een verhaal over de Tweede Wereldoorlog, gezien vanuit de ogen van SS-officier Maximilien Aue. Een oorlogsverhaal dus, maar deze keer dan niet verteld vanuit het slachtoffer, maar vanuit de dader; en dat is toch wel andere kost! Nou had ik natuurlijk al eerder gelezen over Bernie Gunter, die op een gegeven moment ook SS-er wordt, maar Gunther hield als eigenzinnige geest altijd nog een gezonde afstand tot het nationaalsocialisme. Dat ontbreekt echter te enen male bij Maximilien Aue, die toch min of meer gelooft in de nazi-idealen.

Dat gegeven alleen al maakt dit boek behoorlijk heftig. En dan moet ik nog beginnen! Want wat ook binnen komt, is dat je meteen in de proloog begrijpt dat Aue uiteindelijk de dans zal ontspringen: in de chaos na de oorlog weet hij zich voor te doen als Fransman en in Frankrijk een nieuw leven op te bouwen. En pas dan begint de Aue tegen je te vertellen over zijn tijd als SS-er. Hoe hij ten eerste gestationeerd wordt in Oekraïne; achter de linies, waar de Einsatzgruppen bezig gaan het land te ‘zuiveren’ van Joden. Aue weet zich min of meer te onttrekken aan de meeste moordpartijen, maar ook hij ontkomt niet helemaal aan het ‘handwerk’. En zo vindt ook Aue zich op een bepaald moment terug aan de rand van een modderig massagraf, Joden doodschietend met zijn pistool en uitglijdend over dode lichamen. We hebben het dan over de gruwelijke massamoord van vele duizenden Joden in Kiev, waarover Littell zeer gedetailleerd vertelt. En dit maakt deze passages ongekend indringend.

Maar Littell doet veel meer in dit boek. Hij vertelt in even groot detail over bijvoorbeeld de interne gang van zaken bij de SS, de ambtelijke bureaucratie binnen deze organisatie, de constante wedijver tussen SS en Wehrmacht, het interne gekonkel, en over de vele bij voorkeur intellectuele discussies die onze Dr. Maximilien Aue (zelf jurist) pleegt te voeren. Zo wordt er, als Aue inmiddels in de Kaukasus zit, uitgebreid ingegaan op de etnografische lappendeken die deze regio is en op de vraag of het daar voorkomende volk van de Bergjoden moet worden beschouwd als joods. Deze pseudo-wetenschappelijke discussie is natuurlijk redelijk absurd voor mensen die echt geloven in de bespottelijke rassentheorie van de Duitsers als het superieure ‘Arische’ ras, maar toch laat Littell niet na hier langdurig over te vertellen. De enorme feitenkennis en beheersing over zijn onderwerp die Littell, onder meer in dit soort passages, tentoonspreidt is hierbij zeer indrukwekkend. Maar tegelijkertijd vraag je je soms wel af of het allemaal niet een beetje gekunsteld wordt. Ten eerste omdat het boek dus eigenlijk een navertelling van Aue is over hoe zijn tijd als SS-er was, en je je afvraagt hoe Aue in hemelsnaam dan zoveel details heeft kunnen onthouden. Ten tweede omdat de dialogen soms wel van een zeer intellectueel gehalte zijn: er wordt driftig met citaten van Griekse filosofen gestrooid dat het een lieve lust is. En zelfs aan een opgepakte communistische partijbons die weet dat hij snel zal worden gefusilleerd, weet Aue nog een prikkelend theoretisch discours te ontlokken over de verschillen tussen het communisme en nationaalsocialisme. Tja, dat is toch wel wat ongeloofwaardig…

Deze laatstgenoemde scene speelt zich overigens af in Stalingrad, waar Aue dus ook terechtkomt. De gruwelen die het omsingelde Zesde Leger hier moet ondergaan zijn onbeschrijflijk en bijna surreëel. En Littell maakt er hier ook steeds meer een surrealistische vertelling van, aangezien Aue op dit moment zijn greep op de werkelijkheid langzaamaan begint te verliezen. Het wordt hierdoor steeds onduidelijker waar dingen nu echt gebeuren of niet; zoals bij een scene waarin Aue’s vriend Thomas Hauser het ene moment de granaatscherven uit zijn opengereten darmen plukt en een paar dagen later blijkbaar weer kiplekker is. Littell doorsnijdt zijn verhaal hier ook steeds meer met herinneringen van Aue over diens jeugd, en steeds meer blijkt dat Aue al voor de oorlog een nogal getroebleerd mannetje was: gepest op school, misbruikt op het internaat, een enorme haat richting zijn ouders en een seksuele relatie met zijn tweelingzus, resulterend in een voortdurende obsessie voor haar.

Dit laatste element is verhaaltechnisch misschien toch niet zo handig van Littell, want hierdoor zullen lezers (en ook ik) zich steeds minder met Aue kunnen identificeren. En dit doet af aan de centrale boodschap die Littell eigenlijk al in de proloog aan je meegeeft. Aue richt zich dan tot de lezer en zegt hierin zoiets iets als: “Denkt u maar niet dat u beter bent dan ik; u heeft alleen het geluk in andere omstandigheden te verkeren. U bent nooit gedwongen geweest om te doden. Maar bedenk wel: ik ben net als u!” Het is een opmerking die je zeker aan het denken zet, want zou je zelf echt heel anders hebben gehandeld als Aue? Aue merkt ergens op dat iedereen in een oorlog dingen doet die hij niet wil doen; zowel het slachtoffer als de dader. En word je niet gedwongen door de situatie? Kun je wel in opstand komen tegen het systeem? Niet als je enig gevoel voor zelfbehoud hebt, lijkt het… Want als Aue dan bijvoorbeeld heel voorzichtig eens een keer in opstand komt tegen de waanzinnige opdrachten van zijn superieuren, dan wordt hij meteen ‘weggepromoveerd’ naar Stalingrad, wat dan al min of meer een zekere dood is…

Hiermee is, denk ik, de kern van dit boek al wel geschetst. Niet dat ik daarmee nog maar een derde heb verteld van het plot, want ook na Stalingrad zijn er tal van verwikkelingen. Zo krijgt Aue nieuwe taken die hem dicht brengen bij veel top-nazi’s, waarvan de belangrijkste toch wel Himmler, Speer en Eichmann zijn. Met met name die laatste voert Aue veel gesprekken, waardoor je (een denk ik vrij realistisch) beeld krijgt van het fantasieloze bureaucratische mannetje dat die Eichmann in de kern was. Littell vermengt deze aan realiteit schurende passages met zelfverzonnen personages, die zonder uitzondering nogal excentrieke types zijn. Neem de immens dikke, ruftende dr. Mandelbrod bijvoorbeeld, die als een soort sinister meesterbrein op de achtergrond onder alle hoge nazi’s groot aanzien heeft, en in Aue een beschermeling ziet. Of neem de kolderieke agenten Weser en Clemens, die Aue verdenken van de moord op zijn ouders en hem tot in extremis blijven stalken. Zij lijken rechtstreeks weggelopen uit nota bene Kuifje, als spitting image van Jansen en Jansen. Misschien wilde Littell hier bewust een paar lichte noten inbrengen in zijn toch loodzware vertelling. Want ja, het wordt er steeds minder fraai op. Aue begint steeds meer zijn grip op de werkelijkheid te verliezen en is ook zelf schuldig aan enkele vreselijke obsceniteiten en brute moorden. Op het eind, tijdens de ondergang van Berlijn, moet zelfs zijn trouwe vriend Thomas Hauser, die hem uit tal van netelige situaties heeft gered, het ontgelden. En met deze laagst denkbare daad eindigt het boek…

De conclusie van deze idioot lange recensie is in ieder geval dat dit een ontzettend fascinerende en ook soms heftige leeservaring is. Een boek ook dat heftige emoties oproept, zo blijkt bijvoorbeeld ook uit de uitgebreide discussie die ik tegenkwam op het forum van NRC-boeken. Ik denk ook dat het een boek is dat zeker niet op alle punten even geslaagd is, maar denk wel dat het een ontzettend knappe tour-de-force is van een schrijver die op dat moment 38 jaar oud was, inderdaad: even oud als ik nu ben. De geboren Amerikaan Littell heeft het boek hiernaast ook nog eens in het Frans geschreven, niet eens zijn moedertaal, en dat vind ik bepaald indrukwekkend! Kortom: een boek dat je gelezen moet hebben!

 

Comments are closed.